Welke rol speelt jouw uiterlijk in sollicitatiegesprekken?

Vacature2_1Tijdens de zomervakantie of in de periode rondom Kerstmis staan veel mensen stil bij hoe hun leven ervoor staat. Hoe is het gesteld met de goede voornemens? Heb je echt vaker gesport en minder gegeten? Heb je meer aandacht aan je gezin besteed en ben je nog wel happy op je werk? Misschien ben je in de afgelopen weken wel tot de conclusie gekomen dat je eens om je heen gaat kijken. Dan is het goed om je bewust te zijn van de eerste indruk die je maakt. En hoe groot de invloed van je uiterlijk is op je kansen voor die droomjob.

 

Halo

Natuurlijk, je moet relevante ervaring hebben voor die nieuwe droombaan. Uiteraard, het gaat om jouw talenten en wat jij aan meerwaarde kan bieden. Inhoud, dat telt! Toch? Je hebt vast wel eens gehoord van een halo-effect. Als het je niets zegt, leg ik het kort uit. Wanneer je verwachtingen hebt over mensen (bijvoorbeeld hoe betrouwbaar ze zijn en of ze aardig zijn), zonder dat die verwachtingen op relevante/logische signalen gebaseerd zijn, is er sprake van een halo-effect. De betrouwbaarheid van een persoon kan je niet aflezen aan de kleur van zijn ogen en kledingkeuze zegt niets over iemands sociale vaardigheden. Toch gebeurt het. Zo worden aantrekkelijke personen eerder vertrouwd (Zhao, Zhou, Shi & Zhang, 2005), krijgen ze meer expertise toegedicht (Ohanian, 1991), worden ze aardiger gevonden (Joseph, 1982), krijgen ze betere sociale competenties toegedicht (Eagly, Ashmore, Makhijani & Longo, 1991) en wordt verwacht dat ze een betere ‘job performance’ leveren (Walker Naylor, 2007).

 

Make-over

Als je nu gezegend bent met een fantastische persoonlijkheid en een wat minder fantastisch uiterlijk, kan je altijd nog je toevlucht zoeken in de cosmetische industrie. Misschien is chirurgie wat ingrijpend, maar van een bezoekje aan de schoonheidsspecialist, de kapper en de kledingwinkel, knapt iedereen een stuk op. Uit onderzoek (Das & De Loach, 2009) blijkt dat ‘grooming’ een positief effect heeft op je inkomen, alleen is dat effect voor verschillende bevolkingsgroepen verschillend in omvang. In het geval van vrouwen blijkt dat van elke extra euro die aan het uiterlijk wordt besteed, slechts 15 cent wordt terugverdiend via een hoger inkomen (Hamermesh, Meng & Zhang, 2001). Het grootste deel van uitgaven die gerelateerd zijn aan uiterlijk, zijn dus consumptief van aard en kunnen nauwelijks als investering worden gezien.

 

Aantrekkelijkheid als nadeel

Hebben aantrekkelijke mensen dan altijd een voordeel? Nee, niet altijd. In enkele onderzoeken wordt de invloed van aantrekkelijkheid genuanceerd of zelfs in twijfel getrokken. Zo vonden Maddux en Rogers (1980) in een experiment geen significant verschil tussen de overtuigingskracht van een aantrekkelijke expert of die van een minder aantrekkelijke expert. Caballero en Solomon (1984) vonden een effect dat tegengesteld was aan de verwachting rondom aantrekkelijkheid. In een ‘point-of-purchase’ situatie verkocht een onaantrekkelijk model meer producten dan een aantrekkelijk model. Als dat allemaal niet ingewikkeld genoeg is, maakt het ook nog uit wie je tegenover je hebt. Wanneer je gesprekspartner (veelal je toekomstig leidinggevende) van hetzelfde geslacht is én hij of zij weinig zelfvertrouwen heeft, ben je als aantrekkelijk persoon in het nadeel (Aghthe, Spörrle, & Maner, 2011). Mensen met weinig zelfvertrouwen ervaren aantrekkelijke mensen van hetzelfde geslacht als een bedreiging en oordelen daardoor negatiever over de persoon.

 

Groepen

Naast allerlei gewenste en ongewenste gevolgen van je uiterlijk in een-op-eensituaties zijn er ook effecten die juist in groepsverband optreden. Zo bestaat er een gek fenomeen dat het cheerleadereffect wordt genoemd (Walker & Vul, 2013). Daarbij wordt je als vrouw in een groep vrouwen (of als man binnen een groep mannen) aantrekkelijker gevonden dan wanneer je alleen bent. Een ander vreemd verschijnsel is het ‘mere proximity effect’. In een experiment waarbij sollicitanten moesten plaatsnemen in een wachtkamer, constateerden Hebl en Mannix (2003) dat de persoon die bij jou in de buurt zit, effect heeft op hoe jij wordt beoordeeld. Een mannelijke sollicitant werd negatiever beoordeeld wanneer hij in de buurt van een vrouw met overgewicht had gezeten, dan wanneer hij in de buurt van een vrouw met gemiddeld postuur had gezeten. Het feit dat de vrouw en de man geen relatie hadden, sterker nog, elkaar nog nooit hadden ontmoet, maakte geen verschil.

Wat moet je nu met al deze effecten rondom je uiterlijk? Je weet toch niet of je toekomstig leidinggevende veel of weinig zelfvertrouwen heeft? Moet je nu wel of niet naar de kapper en de schoonheidsspecialist? En wat doe je als je voorafgaand aan het sollicitatiegesprek in de wachtruimte een persoon met overgewicht aantreft? Ik zou zeggen dat je gewoon jezelf moet blijven. Je anders gedragen of je anders voordoen, heeft geen enkele zin. Fake personen vallen vroeg of laat toch wel door de mand. Of je nu knap of minder knap bent.

 

Wil je meer weten over deze verschijnselen? Lees dan eens een van de artikelen in onderstaande referenties.

 

Referenties:

Agthe, M., Spörrle, M., & Maner, J. K. (2011). Does being attractive always help? Positive and negative effects of attractiveness on social decision making. Personality and Social Psychology Bulletin, volume 37, number 8, pp. 1042-1054.

Das, J., & De Loach, S. B. (2011). Mirror, mirror on the wall: The effect of time spent grooming on earnings. The Journal of Socio-Economics, volume 40, pp. 26-34.

Eagly, A. H., Ashmore, R. D., Makhijani, M. G., & Longo, L. C. (1991). What is beautiful is good, but…: a meta-analytic review of research. Psychological Bulletin, volume 110. number 1, 109-128.

Hamermesh, D. S., Meng, X., & Zhang, J. (2002). Dress for success – does primping pay? Labour Economics, volume 9, pp. 361-373.

Hebl, M. R., & Mannix, L. M. (2003). The weight of obesity in evaluating others: a mere proximity effect. Personality and Social Psychology Bulletin, volume 29, number1, pp. 28-38.

Joseph, W. B. (1982). The credibility of physically attractive communicators: a review. Journal of Advertising, volume 11, issue 3, 15-24.

Ohanian, R. (1990). Construction and validation of a scale to measure celebrity endorsers’ perceived expertise, trustworthiness, and attractiveness. Journal of Advertising, volume 19, number 3, 39-52.

Walker Naylor, R. (2007). Nonverbal cues-based first impressions: impression formation through exposure to static images. Marketing Letters, volume 18, issue 3, pp. 165-179.

Walker, D., & Vul, E. (2013). Hierarchical encoding makes individuals in a group seem more attractive. Psychological Science, 1-6.

Zhao, N., Zhou, M., Shi, Y., & Zhang, J. (2015). Face attractiveness in building trust: evidence from measurement of implicit and explicit responses. Social behaviour and personality, volume 43, issue 5, pp. 855-866.

Advertenties

Scriptiesamenvatting

IMG_1760In de laatste decennia is door de opkomst van de stroming gedragseconomie veel meer aandacht gekomen voor sociologische en psychologische invloeden op het keuze- en koopproces van consumenten en producenten. In boeken, tijdschriften en andere media wordt volop aandacht besteed aan de niet-rationele mens, maar dit beperkt zich vaak tot één toepassingsgebied: besluitvormingsprocessen bij consumenten. Voor de business-to-businessmarkt bestaat relatief weinig aandacht. Dit kan liggen aan het veronderstelde verschil tussen business-to-consumer en business-to-business, waarbij in vakliteratuur het rationele karakter van de zakelijke markt wordt benadrukt. Ook bestaan er verscheidene tegenargumenten, die stellen dat het verschil eigenlijk helemaal niet zo groot is. Daarnaast zijn er veel verschillende niet-rationele factoren die invloed kunnen hebben op besluitvorming. In deze scriptie is onderzocht wat de invloed is van niet-rationele factoren bij het selecteren van een zakelijk dienstverlener. Omdat het niet haalbaar was om binnen deze scriptie alle mogelijke vormen, oorzaken en soorten cues op het gebied van niet-rationele beïnvloeding te onderzoeken, is de focus in dit onderzoek gelegd op de aantrekkelijkheid van de boodschapper als mogelijke beïnvloedende factor op het creëren van voorkeur.

 

Door literatuuronderzoek is ten eerste inzicht verkregen in de context van de centrale vraag en in bijbehorende kernbegrippen. Zo werd duidelijk dat aankoopbeslissingen voor diensten in een business-to-businessomgeving waarschijnlijk (voor een deel) verlopen via de perifere route en dat niet-rationele cues, in de vorm van denkfouten, van invloed zijn op die beslissingen. Naast denkfouten zijn verschillende sociale cues van invloed op attitudevorming en gedrag. Deze sociale invloeden kunnen komen van groepen of individuen. Aantrekkelijkheid van de zender is één zo’n sociale cue en daarom is het begrip aantrekkelijkheid verder verkend in het literatuuronderzoek. We hebben gezien dat aantrekkelijkheid overeenkomstig wordt beoordeeld door respondenten van verschillende leeftijden, geslachten, seksuele geaardheden en etnische achtergronden en dat het gezicht de belangrijkste indicator is voor aantrekkelijkheid van mensen. De factoren leeftijd, gezichtsuitdrukking, symmetrie en ‘averageness’ bepalen de mate van aantrekkelijkheid. Tot slot is in het literatuuronderzoek aandacht besteed aan de wijze waarop aantrekkelijkheid van de boodschapper invloed kan hebben op attitudevorming en gedragsintentie bij de ontvanger. De aantrekkelijkheid van de boodschapper hoeft geen relatie te hebben met het type product om toch invloed te hebben. Aantrekkelijkheid van de boodschapper heeft een positieve invloed op de gemoedstoestand van de ontvanger, waardoor de attitude en gedragsintentie van de ontvanger positief worden beïnvloed. Daarnaast kan aantrekkelijkheid van de boodschapper een directe of indirecte invloed uitoefenen op de attitude en gedragsintentie. Bij een indirecte invloed zorgt de aantrekkelijkheid eerst voor positieve toeschrijvingen op het gebied van persoonlijkheidskenmerken.

 

In het praktijkonderzoek zijn de vijf hypothesen onderzocht, die voortkwamen uit het conceptueel model in het literatuuronderzoek. Dit is gedaan aan de hand van een voor- en een hoofdonderzoek. In het vooronderzoek zijn de stimuli gevonden voor de interventies in het hoofdonderzoek. Het vooronderzoek bestond uit een enquête waarin de aantrekkelijkheid van zes mannen werd beoordeeld. De mannen die werden beoordeeld als bovengemiddeld aantrekkelijk vormden de stimuli in groep 1 van het hoofdonderzoek. De mannen die werden beoordeeld als ‘gemiddeld’ aantrekkelijk (niet onaantrekkelijk, niet aantrekkelijk) vormden de stimuli in groep 2. Het hoofdonderzoek bestond uit een experiment waarbij professionals een voorstel van een dienstverlener moesten lezen en daarna vragen moesten beantwoorden over hun koopintentie, attitude en de eigenschappen die de man op de foto (hun contactpersoon) zou hebben. Uit de analyse van de resultaten bleek dat de gebruikte meetinstrumenten betrouwbaar waren en de manipulatiecontrole in het onderzoek onderstreepte de validiteit. Er konden statistisch gezien geen significante effecten worden gevonden die de hypothesen ondersteunden. Daardoor zijn de vijf hypothesen verworpen. Tot slot is vervolgonderzoek gedaan naar de oorzaak voor het uitblijven van significante resultaten. Het is mogelijk dat in het vooronderzoek een ankereffect heeft opgetreden, maar dat is niet met zekerheid vast te stellen.

 

Naast mogelijke oorzaken vanuit de gevolgde methodologie zijn ook andere typen oorzaken denkbaar voor het uitblijven van statistisch significante resultaten. Het kan zo zijn dat effecten van aantrekkelijkheid worden overschat in de literatuur. Het kan ook zo zijn dat het isoleren van één sociale cue, zoals aantrekkelijkheid, geen reële resultaten oplevert, omdat sociale cues gewoonlijk naast elkaar en gelijktijdig plaatsvinden. Het inzicht dat deze scriptie heeft gebracht, is als volgt samen te vatten: op basis van diverse onderzoeken en theorieën kan worden gesteld dat aantrekkelijkheid van de verkoper de attitude voor een organisatie en de koopintentie voor een product of dienst positief kan beïnvloeden, maar in de context van het experiment in deze scriptie kon een dergelijk effect niet worden bevestigd.

Mastertijd

IMG_1760Morgenmiddag verdedig ik om 13:00 uur mijn masterthesis. Daarmee komt er een einde aan een indrukwekkende fase in mijn leven. In de ochtend stap ik met een beker van Starbucks in de trein en laat ik me naar Rotterdam brengen. Ik zet muziek aan om mezelf een beetje te kalmeren, ook al zal ik ontzettend nerveus blijven. Dat was ik vandaag eigenlijk al een beetje. Nu eerst een terugblik op mijn studietijd, wat de tegenvallers waren en natuurlijk wat het me heeft opgeleverd.

 

Getallen

Een studie beloont behaalde toetsen met studiepunten. Om je mastertitel te halen, moet je 60 studiepunten halen. Elk studiepunt staat voor een aantal inspanningsuren, namelijk 28. Dat maakt dat je rekening moet houden met 1.680 uren inspanning wanneer je aan een masterstudie begint. Nu ben ik niet iemand die voor een zesje gaat, dus ik denk dat ik gemiddeld per week 20 uur heb gestudeerd met pieken naar 30-35 uur in hele drukke periodes. Wat doe je dan allemaal in die tijd? Nou, je leest honderden vakbladartikelen en publicaties van wetenschappelijke onderzoeken, daarnaast nog een flinke stapel boeken, je woont 30 collegedagen bij en je doet, naast je masterthesis, tien projecten (vijf individueel en vijf met een groep).

 

Faalangst, frustratie en weerstand

Wat doet dat allemaal met je? Eerst maar eens de minder leuke dingen. Je leert een heel nieuw level van faalangst kennen. De losse projecten vallen nog wel mee, maar de masterthesis is heel erg heftig. Stel je maar eens voor dat je in drie weken tijd zo’n 80 uur hebt besteed aan het schrijven van het literatuuronderzoek en dat je het bestand moet insturen naar je begeleider, zodat hij feedback kan geven. Dan gaat er wel een dozijn schietgebedjes doorheen voordat je op ‘send’ hebt gedrukt. Als je niet zo’n snelle lezer bent (zoals ik), kost het lezen je erg veel tijd en dat is erg vermoeiend. De groepsopdrachten zijn een aanslag op je zenuwen. Wanneer je iemand bent die de lat hoog legt (yep, weer ik), kun je er donder op zeggen dat er ook mensen in je groep zitten die heel ‘anders’ daarin staan. Dat zorgt voor de nodige frustratie en stress. Ook word je op een gegeven moment heel chagrijnig van het steeds maar weer ‘iets moeten’. Je hebt eigenlijk nooit rust. Als je jezelf een keer een weekend studievrij gunt, kwettert dat stemmetje in je achterhoofd dat die pauze misschien helemaal niet zo verstandig is.

 

Relaties

Volgens mij heeft de berekening in de eerste alinea duidelijk gemaakt dat een masterstudie naast je werk zo veel tijd kost, dat je helemaal nergens tijd of zin in hebt (tenzij je zo iemand bent die aan vier uur slaap genoeg heeft, en nee, zo iemand ben ik dan weer niet). Lang niet iedereen heeft er begrip voor dat jij even twee jaar (of langer bij de meeste studenten) nauwelijks of niet kan afspreken. Daarnaast heeft een masterstudie een blijvende impact op je leven. Mijn collega Berta zei laatst: “Een masterstudie verandert je, daar is geen ontkomen aan en er is ook geen weg meer terug.” Daar heeft ze gelijk in volgens mij. Maar dat is niet per se een slechte ontwikkeling. Het is alleen vervelend dat sommige mensen afhaken omdat je geen/onvoldoende tijd of energie voor ze hebt of omdat je bent verandert.

 

Beloning

Is een masterstudie dan wel alle frustratie, stress, tijd, verloren vriendschappen, vermoeidheid en zorgen waard? Daarop kan ik alleen maar zeggen: ja. Een volmondige ja. Je doet natuurlijk veel nieuwe kennis op, maar belangrijker is nog dat je op een andere manier naar dingen leert kijken. Je krijgt een meer kritische blik en je kunt daardoor situaties scherper ontleden. Dat neem je mee in je professionele en je persoonlijke leven. Je doorziet sneller bullshit en je kunt meer facetten van een vraagstuk overzien. De master heeft ook mijn interesse voor research en het ontsluiten van kennis verder aangewakkerd. Ik heb nu al ideeën voor verschillende onderzoeken die ik zou willen doen (als ik de kans daarvoor krijg) en via dit blog zal ik verslag doen van onder andere interessante onderzoeken. Ik heb tijdens de colleges enkele nieuwe contacten opgedaan die kunnen uitgroeien tot nieuwe vriendschappen en de off-topic gesprekjes met mijn scriptiebegeleider hebben geleid tot meer duidelijkheid over wat ik in de toekomst graag wil doen. Tijdens het scriptietraject heb ik hard gewerkt aan mijn gezondheid. Ten opzichte van een jaar geleden, weeg ik meer dan 40 kilo minder. Ook ben ik gestopt met roken en begonnen met hardlopen. Ik heb een voor mij heel nieuw vakgebied (gedragseconomie) ontdekt waarop ik verliefd ben geworden, ik heb mezelf beter leren kennen en ik ben ook veel sterker in mezelf gaan geloven.

 

Interesse?

Morgen verdedig ik dus mijn masterthesis en nadat de zitting is afgerond, heb ik de titel “Master of Arts in Brand, Design and Reputation management” behaald. Dat is ook het moment dat mijn thesis voor andere mensen dan mijn beoordelaars beschikbaar is. Stuur me een berichtje als je het leuk vindt om de pdf te ontvangen.

Impulsaankopen door merkpersoonlijkheid

Schermafbeelding-2017-03-30-om-08_07_36

De discipline brandmanagement richt zich voornamelijk op de lange termijn. Immateriële meerwaarde creëer je meestal niet ‘overnight’. Dat betekent niet dat bepaalde merkkeuzes geen kortetermijneffecten kúnnen hebben. Uit recent onderzoek blijkt namelijk dat bepaalde typen merkpersoonlijkheid kunnen aanzetten tot impulsaankopen.

 

Merkpersoonlijkheid

Wanneer je ooit aan de slag bent geweest met de identiteit van een merk, heb je vast gehoord van archetypen (Mark & Pearson, 2001) of de merkpersoonlijkheden volgens Aaker (1997). Zo’n typering kan functioneren als een soort kompas voor het merk of het kan je op weg helpen in de creatie van het merk. Geuens, Weijters en Wulf (2009) ontwikkelden een aangepast instrument voor merkpersoonlijkheid dat beter bestand is tegen verschillen tussen culturen en productcategorieën dan de indeling volgens Aaker. De vijf hoofddimensies in dit persoonlijkheidsmodel van Geuens, Weijters en Wulf zijn: responsibility, activity, aggressiveness, simplicity en emotionality.

 

Impulsieve mensen, impulsieve merken?

In 2017 verscheen een tweeledig onderzoek (Badgaiyan, Dixit & Verma, 2017) waarin werd gezocht naar mogelijke verbanden tussen persoonlijkheidstypen van een merk en de mate waarin het merkproduct via impulsaankopen wordt gekocht. Met behulp van 522 respondenten werd de relatie tussen impulsaankopen en elke hoofddimensie in het persoonlijkheidsmodel van Geuens, Weijters en Wulf onderzocht. De onderzoekers constateerden dat merken met een ‘active’ of ‘aggressive’ persoonlijkheid meer impulsaankopen genereerden dan andere typen merken.

 

Nu klinkt deze constatering misschien voor de hand liggend wanneer je je voorstelt dat het onderzoek is uitgevoerd binnen een expressieve productcategorie zoals merkkleding. Je zou namelijk kunnen verwachten dat mensen met een avontuurlijke, impulsieve persoonlijkheid gevoeliger zijn voor actieve merken. Het tweede deel van het onderzoek laat zien dat het verband tussen merkpersoonlijkheid en impulsaankopen consistent is over meerdere soorten producten. Met behulp van 1.028 respondenten werd het eerder aangetoonde verband opnieuw getest in vier productcategorieën: persoonlijke verzorging, voedsel en zuivel, huishoudelijke apparatuur en elektronica. In alle vier de groepen werd het verband tussen een ‘aggressive’ merkpersoonlijkheid en impulsaankopen bevestigd. Voor merken met een ‘active’ persoonlijkheid werd het verband alleen bevestigd in de categorieën persoonlijke verzorging, voedsel en zuivel en huishoudelijke apparatuur. Voor de categorie elektronica werd geen statistisch significant verband gevonden.

 

Kip en ei

Volgens het onderzoek van Badgaiyan, Dixit en Verma (2017) is er dus een verband tussen ‘aggressive’ en ‘active’ merkpersoonlijkheden en impulsaankopen. Het is alleen niet 100% duidelijk wat de oorzaak is en wat het gevolg. Is het zo dat de twee specifieke typen merkpersoonlijkheid impulsaankopen uitlokken? Of is het zo dat impulsieve consumenten zich aangetrokken voelen tot merken met een ‘aggressive’ of ‘active’ persoonlijkheid? Misschien is het niet zo belangrijk om te weten wat nu wat veroorzaakt. Het feit dat bepaalde strategische keuzes in brandmanagement effecten kunnen bereiken op de korte termijn is een interessant gegeven en dat kan merkeigenaren helpen in hun afwegingen wanneer zij een nieuw merk introduceren.

 

 

Referenties:

Aaker, J. L. (1997). Dimensions of brand personality. Journal of Marketing Research, volume 34, pp. 347-356.

Badgaiyan, A. J., Dixit, S., & Verma, A. (2017). If brands are people, then people are impulsive – assessing the connection between brand personality and impulsive buying behaviour. Journal of Brand Management, volume 24, pp. 622-638.

Geuens, M., Weijters, B., & Wulf, K. d. (2009). A new measure of brand personality. International Journal of Research in Marketing, volume 26, pp. 97-107.

Mark, M., & Pearson, C. S. (2001). The hero and the outlaw. New York: McGraw-Hill.

 

Geld of groei? Wat maakt gelukkiger?

jacq-b-geluk_2Bijna afgestudeerd. En nu? Die goedbetaalde droombaan najagen? Of streven naar persoonlijke groei? Maakt niet uit, toch? Wanneer je doelen formuleert, daar vol voor gaat en ze bereikt, word je gelukkig. Een onderzoek van Niemiec, Ryan en Deci (2008) toont aan dat dit niet zo werkt en dat het soort doelen belangrijker is dan je zou denken.

 

Intrinsiek versus extrinsiek

Het onderzoek vond plaats onder 246 universiteitsstudenten in de Verenigde Staten. Vlak voordat de studenten hun studie afrondden, moesten zij kiezen wat voor hen belangrijker was: het nastreven van intrinsieke of van extrinsieke doelen. Persoonlijke groei of betrokkenheid bij de samenleving waren voorbeelden van intrinsieke doelen. Geld of aanzien waren voorbeelden van extrinsieke doelen. Een jaar na afstuderen werden de oud-studenten opnieuw benaderd en moesten zij aangeven in welke mate de doelen waren bereikt. Daarnaast kregen zij vragen voorgelegd waarmee de onderzoekers het ‘geluksniveau’ van de respondenten konden meten. Nu zou je verwachten dat de personen die hun doelen het meest hebben verwezenlijkt, het gelukkigst zijn. Maar dat bleek niet het geval. Hoe veel men had bereikt was geen indicatie voor geluk. Het type aspiratie wel. De respondenten die een groter belang hechtten aan intrinsieke doelen waren gelukkiger.

Zelfbeschikkingstheorie

Het verband tussen het soort doel en de hogere geluksscores komt tot stand door een mediërende variabele. Dat klinkt behoorlijk technisch, maar het komt erop neer dat er een verbindende factor is en dat is de zelfbeschikkingstheorie (Deci & Ryan, 2000). De zelfbeschikkingstheorie (self-determination theory) gaat ervan uit dat mensen drie basisbehoeften hebben bij het verkrijgen en behouden van mentale gezondheid: autonomie, competentie en verbondenheid. Het verband tussen het soort doel en de mate van geluk kan in eenvoudige bewoording als volgt worden verklaard: de onderzoeksgroep die intrinsieke doelen nastreefde, bereikte hogere niveaus op het gebied van autonomie, competentie en verbondenheid en dat zorgt voor meer geluk.

In de praktijk

Wat moet je nu met de conclusie van dit onderzoek? Als je werkt of studeert in een autonomie-ondersteunende omgeving niet zo gek veel, behalve lekker doen wat je doet en daar blij mee zijn. Helaas heeft lang niet iedereen de mazzel om in zo’n omgeving actief te zijn. Kijk maar eens naar hoe de meeste instituten in het hoger onderwijs de professional van morgen opleiden. Studenten krijgen projecten met deadlines opgelegd, moeten verplicht bepaalde vakken volgen waarvoor ze minimaal een 5,5 moeten halen, krijgen instructies voor hoe ze hun taken moeten aanpakken, etc. Dit zijn allemaal eisen die van buitenaf komen, niet vanuit de student zelf. Natuurlijk moet een diploma wel ergens op gebaseerd zijn, maar zou het leereffect (en het geluk van de persoon) niet veel groter zijn als de student voor een belangrijk deel zijn eigen pad kan bepalen? En hoe zit dat met de baan waarin hij terechtkomt? Of waar jij als lezer nu in zit? Word jij gestimuleerd om je eigen ontwikkeling vorm te geven? En heb je daarbij de vrijheid om dat te doen op jouw eigen manier, met de mensen van jouw keuze, op de momenten dat het jou uitkomt? Of moet je voldoen aan procedures en instructies waar je met geen mogelijkheid het nut van inziet?

Vervolgonderzoek

Het onderzoek waar in dit artikel naar werd gerefereerd, is gedaan onder jonge professionals in de Verenigde Staten. Zou het niet interessant zijn om het onderzoek te repliceren onder jonge professionals hier in Nederland? Of onder werkenden die al wat verder zijn in hun loopbaan? Volgens mij kunnen dergelijke onderzoeken interessante inzichten bieden in motivaties van mensen en de gevolgen voor welzijn in hun studie of baan. Wie pakt de handschoen op?

 

Referenties:

Deci, E. L., & Ryan, E. M. (2000). The ‘what’ and ‘why’ of goal pursuits: human needs and the self-determination of behavior. Psychological Inquiry, volume 11, issue 4, pp. 227-268.

Niemiec, C. P., Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2009). The path taken: Consequences of attaining intrinsic and extrinsic aspirations in post-college life. Journal of Research in Personality, volume 73, issue 3, pp. 291-306.